Je kent het wel: kinderen die overal muziek in zien. Aan het ontbijt spelen met het kartonnen pak van de pap, op school drummen met twee potloden op de tafels, ’s avonds het bestek liever zien en gebruiken als instrumenten en tussendoor bij het boodschappen doen spelen met alle potten en pakken in de supermarkt. Om op de terugweg met de plastic tas te ritselen en thuis de krant van die ochtend te verfrommelen en te genieten van het geluid van scheurend en ritselend papier. Welnu: STOMP is precies dat. Maar dan opgegroeid, gepolijst en op een podium gezet.
Donderdagavond opende de Stadsschouwburg in Antwerpen zijn deuren voor een avond met STOMP. Het gezelschap speelde er een voorstelling van bijna twee uur, zonder pauze. Voor een groot deel van het publiek was het een sprong in het onbekende. STOMP had geen hitsingles, geen herkenbare nummers en geen traditionele instrumenten. Maar wie ook maar een glimp had opgevangen van wat hen te wachten stond, liep de zaal in met nauwelijks ingehouden enthousiasme. Een reclamefolder die toevallig in handen viel, een filmpje dat op het internet opdook, of de herinnering aan de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Londen in 2012, waar STOMP een onvergetelijke bijdrage leverde. Misschien ook de reclamespots die het gezelschap opnam voor grote, wereldberoemde merken. Wie hen kende wist: dit werd iets bijzonders.
De groep bestond uit zes mannen en twee vrouwen, en vormde vanaf het begin een hecht collectief. Eén van hen deed zich min of meer voor als de schlemiel van de groep, de goedlachse stumper die alles net iets minder goed leek te doen dan de rest. Maar schijn bedroog: alle acht stonden ze hun mannetje, zonder uitzondering. Het publiek werd er bovendien actief bij betrokken. Meeklappen, meestampen, meegaan in het ritme: publieksparticipatie was geen bijzaak maar een integraal onderdeel van de show, en het werd dan ook veelvuldig en gretig ingezet.
De acht performers betraden het podium met bezems, vuilnisbakdeksels, plastic emmers, luciferdoosjes, aanstekers en kranten. Alledaagse voorwerpen die in hun handen werden omgetoverd tot een volledig percussie-orkest. Wie een vergelijking zoekt: stel je de visuele energie en het collectieve samenspel van de Blue Man Group voor, gecombineerd met de kracht en precisie van de Japanse slagwerkgroep Yamato. Voeg daarbij de ongedwongen, bijna clowneske humor die aan Mini & Maxi doet denken, en bouw dat alles op met de onverbiddelijke, steeds aanzwellende structuur van Ravels Bolero. Dan kom je in de buurt, maar toch niet helemaal…
Een van de meest opvallende elementen was het verrassingseffect en hoe bewust daarmee werd gespeeld. Zonder ooit in herhaling te vallen, bleef de groep vernieuwen. Scène na scène werd een nieuw alledaags voorwerp tot leven gewekt, en telkens opnieuw vroeg het publiek zich af wat er nu weer zou volgen. Bezems werden gehanteerd met een kracht die hen geen lang leven gunde, en als er een kapotging, dat gebeurde met opvallende regelmaat, werd het gebroken instrument sneller vervangen dan je kon knipperen met je ogen. Het leek er gewoon bij te horen. Vegers, blikjes, blikken, luciferdoosjes: alles mocht kapot, alles werd met zoveel geweld bespeeld dat de vraag zich opdrong hoeveel vuilnisbakken er elke avond gevuld werden met gesneuveld instrumentarium. Voor nuance was geen plaats. Dit was theater met de handrem los.
Die opbouw was misschien wel het meest indrukwekkende aan de show. Wat begon als één simpel ritme, één performer met een bezem op een leeg podium, groeide scène na scène uit tot een oorverdovend, visueel meeslepend spektakel. Elke nieuwe laag werd toegevoegd als vanzelfsprekend, zonder uitleg, zonder woorden. STOMP sprak uitsluitend in ritme en beweging, dat bleek meer dan genoeg.
Ergens voelde STOMP als een muzikaal kunstwerk, zij het een waarop je geen vinger kon leggen. De een zag er een verhaal in, een reis van begin tot einde met herkenbare personages en een eigen dramatiek. De ander beleefde het als een reeks losse momenten, elk op zich volkomen, zonder dat er een rode draad nodig was. Zoals een schilderij van Mondriaan: losse vlakken, elk afgebakend en op zichzelf staand, maar bijeengehouden door lijnen die het geheel structuur en spanning gaven. Samengenomen vormden die vlakken een palet van muzikale kleur, verweven tot een mooi en coherent geheel. Of je nu naar het grote geheel keek of je liet meevoeren door elk afzonderlijk moment, STOMP liet niemand onbewogen.
Het hoogtepunt kwam aan het einde en dit was er een dat zich in het geheugen brandde. Onder andere staande op olievaten, verspreid over het podium, ontketenden de acht performers een versie van wat je de vingerafdruk van STOMP zou kunnen noemen: een explosieve scène vol geweld en gratie, met iets van de vloeiende vechtkunst van capoeira, blikken vuilnisdeksels als wapens en blauwe afvalvaten als drums. Het podium dreunde, de zaal trilde mee, en het publiek was op dat moment volledig en onvoorwaardelijk meegesleurd.
Het grote geheim van STOMP was uiteindelijk niet de bombast, niet de humor, niet het spectaculaire gebruik van alledaagse voorwerpen; het was de choreografie. Niet dans, niet echt, maar zonder die staalhard afgestemde bewegingen zou alles onmiddellijk in elkaar storten. Elke stap, elke slag, elke worp en elke blik was tot op de milliseconde geregisseerd. Juist dat was wat het niet deed, instorten. STOMP stond als een huis. Een huis vol muzikaal geweld, maar wel muzikaal geweld dat perfect in elkaar overvloeide, geregisseerd als een muzikaal ballet van wereldklasse.
Het Antwerpse publiek dat donderdagavond aanwezig was, liet zich zichtbaar verrassen. De lach klonk regelmatig door de zaal bij de komische scènes, en de stilte tijdens de meest intense percussiemomenten was die van mensen die volledig in de ban waren. Aan het einde was de reactie onmiskenbaar: een uitbundig applaus voor een avond die niemand helemaal had zien aankomen. De voorstelling is nog te zien in de Stadsschouwburg Antwerpen tot en met zondag 8 maart, komt eind 2026 nog terug in Brussel, en daarna is het hopen dat deze show een reprise in Nederland krijgt.
