Wie zondagavond de grote zaal van het Muziekgebouw binnenliep, keek tegen een reusachtig schetsboek aan. Hongaars, zo te zien. Átírótömb stond erop, een doorslagblok, het soort schrift waar je dingen in schrijft die nog nergens naar hoeven te leiden. De projecties die de avond begeleidden namen het publiek mee naar binnen, de binnenkant van Henks hoofd in. Schetsboeken uit Hongarije, uit Griekenland. Ideeën voor decors die misschien ooit iets waren geworden, tekeningen van de band, gekke krabbels en notities van Hofstede zelf. Het was wellicht de beste keuze die de band had kunnen maken: die tekeningen op de achtergrond maakten de Nits nog meer de Nits. Persoonlijk, rauw en precies goed. Mooi in zijn eenvoud. Effectief in zijn uitwerking.
Dat het zo werkte, was geen toeval. Paul Telman en Tom Telman, de broers die al jaren verantwoordelijk zijn voor respectievelijk het geluid en het licht bij de Nits, zijn allang geen technici meer. Ze zijn onderdeel van de band. Zonder hen geen typische Nits-esthetiek, geen fantastisch zaalgeluid dat avond na avond opnieuw wordt uitgevonden. Ze verdienden een diepe buiging, net als de drie mannen op het podium.
De eerste set opende met ‘Jardin d’hiver’, meteen een statement. Henk Hofstede, Rob Kloet en Robert Jan Stips lieten de avond langzaam openbloeien. ‘Boy in a Tree’, ‘Long Forgotten Story’, ‘Flowershop Forget-Me-Not’ volgden als bladzijden uit datzelfde schetsboek. Dan ‘Nescio’, een van die nummers die groter lijkt dan zichzelf, gevolgd door het schilderachtige ‘Ultramarine’ en het onverwacht onstuimige ‘Yellow Socks & Angst’. ‘The Swimmer’ dreef de set naar zijn slotakkoord, en ‘Sugar River’ sloot set één af terwijl het publiek inmiddels volledig meegenomen was.
De Nits zijn lang te volgen. Heel lang. En dan nog valt er steeds iets nieuws te zien. Wat opviel en verheugde, was dat de band ook ditmaal nieuwe versies van hun nummers bracht. Arrangementen die net iets anders lagen dan de vorige keer, accenten die verschoven waren, tempi die anders voelden. Geen enkel concert is daardoor hetzelfde, en dat is ronduit knap voor een band met een catalogus van veertig jaar. Het toonde dat de Nits hun eigen nummers nog altijd als levend materiaal beschouwen, niet als vast repertoire dat braaf wordt afgespeeld.
Er zijn vaste elementen, dat wel. Bob Dylan die Claude Monet ontmoet in de lift van het Londense Savoy hotel. De breiende oma van zanger Henk Hofstede. Het zijn de coördinaten van een parallel universum dat de Nits zelf hebben gebouwd, ver van wat er in de buitenwereld allemaal wel en niet mag, kan en niet kan. Daarbinnen bepaalden ze hun eigen richting. Al veertig jaar lang. Het was een eindeloze bocht waar ze in bleven rijden, altijd verder, nooit stilstand, en juist daardoor konden ze zelf ook nooit om de bocht heen kijken.
De tweede set begon met ‘A Touch of Henry Moore’, het soort opener dat ruimte schiep, architectonisch bijna. ‘Moved by Her’ en ‘Sketches of Spain’ volgden, en het was bij dat laatste nummer dat Robert Jan Stips zich liet gelden op een manier die niemand verwachtte. Stips, die de hele avond al deed alsof hij gewoon even een uurtje achter zijn piano was gaan zitten, begon jazzakkoordprogressies naar binnen te fietsen die er niet verwacht werden. Niet opdringerig. Gewoon zo. En dan was er weer even dat gevoel dat er iets te horen viel wat nog nooit zo gehoord was, ook al kende men het nummer al jaren. Precies dat maakte dit concert anders dan het vorige, en het volgende zal weer anders zijn.
‘Sketches of Spain’ is het nummer dat de Nits niet kunnen laten, en dat de Nits ook niet loslaat. Elk optreden komt het terug, zoals de Spaanse Burgeroorlog zelf ook maar niet wil loslaten. In Eindhoven was het compact. Gitaar, drums, en een pianopartij zonder al te veel orkestrale toestanden, en juist daarin zat de kracht.
Daarna kwamen ‘The Long Song’, ‘The Attic’ en ‘The Tree’. Vervolgens het meeslepende ‘J.O.S. Days / J.O.S. Vrees’. En daar, in dat nummer, stond hij dan, de nestor van de Europese art-pop, met die glimlach. Daar was de breiende oma. Daar was het voetballertje van J.O.S. Daar was de jonge held op de Zündapp. Allemaal tegelijk, allemaal in dezelfde man. Je zal maar zo’n opa hebben.
‘Lits-Jumeaux’ was altijd een moment van collectief heimwee in elke Nits-zaal, en ook ditmaal was dat niet anders. ‘The Flowers’ en ‘Last Picture Show’ bouwden verder op die laag van melancholie en schoonheid, voordat ‘In the Dutch Mountains’, onvermijdelijk en onmisbaar, de set afsloot. Het publiek zong mee van het eerste tot het laatste woord.
Voor het concert had Henk Hofstede trots aan Maxazine verteld dat hij voor de tweede keer grootvader was geworden. Gewoon zo, in het voorbijgaan, omdat hij het gewoon even kwijt moest. Die wetenschap gaf de avond iets extra’s, een extra laag onder alles wat er al in de muziek zat. Die kleine jongen mag hopen dat hij ooit zal begrijpen wat zijn opa heeft gemaakt. En dat hij, net als hij, altijd kind zal blijven. Want dat is uiteindelijk het geheim van de Nits. Ze zijn al zo lang onderdeel van de Nederlandse cultuur en kunst, een vaste waarde in het leven van velen, en toch keken ze nog steeds met dezelfde verwondering naar de wereld als op de eerste dag.
De encore was kort en intens. ‘Factory of Tears’ sneed zoals altijd, en ‘Giant Normal Dwarf’ sloot de avond af met precies de combinatie van humor en ernst die de Nits zo onnavolgbaar maakt. Henk had voor het optreden al aan Maxazine verklapt dat er, zoals bijna altijd bij een Nits-concert, een tweede toegift op de planning stond, mits het publiek maar hard genoeg zou blijven applaudiseren. Die tweede encore zou ‘Beromünster’ en ‘Adieu Sweet Bahnhof’ hebben gebracht, twee nummers die het verlies des te pijnlijker maakten. Helaas bleek het Eindhovense publiek die avond wat te verwend: de band verdiende meer erkenning dan ze kreeg. Wie de volgende show bezoekt, weet wat hem te doen staat.
